Iedereen dorst naar iets
In de eerste lezing dorst het volk Israël lichamelijk en schreeuwt het zijn frustratie uit tegen Mozes en tegen God. Het volk van Israël lijdt hevige dorst in de woestijn. God geeft water uit een rots – een onverwachte bron van leven. De rots wordt later in de traditie symbool van Christus (1 Kor 10, 4). Paulus, in de tweede lezing, legt uit dat Gods liefde niet afhangt van onze prestaties. God reageert op menselijke nood met liefde, niet met straf. Zoals God water gaf aan een morrend volk, zo geeft Christus leven aan een mensheid die Hem niet zocht.
In de evangelielezing ontmoet Jezus een vrouw bij de bron in Sychar. Zij heeft een innerlijke dorst die veel dieper gaat dan water. Jezus biedt haar levend water, dat leidt tot eeuwig leven. Jezus onthult dat echte verzadiging niet komt uit menselijke bronnen, maar uit de relatie met Hem. Net zoals het volk in Exodus ontvangt zij water uit een onverwachte plaats. Hij komt naar haar toe, ondanks barrières (geslacht, afkomst, reputatie) en ondanks zijn vermoeidheid op het heetste van de dag. De Samaritaanse vrouw dorst naar betekenis, erkenning, liefde, geluk en zingeving na 5 mislukte huwelijken. De vrouw heeft een ingewikkeld leven en vermijdt anderen. Jezus knoopt een gesprek aan met haar. God antwoordt telkens met onverdiende genade. De drie lezingen vertellen in feite samen één verhaal: de mens dorst naar leven; God antwoordt met genade die verder gaat dan wij durven vragen. En wie drinkt van Gods water wordt zelf een bron voor anderen. Het lijdt geen twijfel dat ook in 2026 veel mensen dorsten naar zingeving. De grote vraag voor iedere ‘pastor’ (herder) is of hij/zij de juiste antwoorden biedt op de vragen waarmee mensen zitten. Jezus kon de Samaritaanse vrouw doorgronden ten diepste, Hij oversteeg alle barrières en Hij kon haar troosten met agapè-liefde: een aartsmoeilijke opdracht voor stervelingen…
(B.N.)