Beloning in het hiernamaals
De eerste lezing is een stukje Wijsheidsliteratuur die oproept tot nederigheid; nederigheid leidt tot wijsheid en genade, terwijl hoogmoed het hart afsluit voor inzicht. Nederigheid is de weg naar ware eer en begrip. Wie zich klein maakt, wordt door God verhoogd.
De tweede lezing contrasteert de ontmoeting met God op de berg Sinaï (vol angst en afstand) met de ontmoeting in het hemelse Jeruzalem, dankzij Jezus als middelaar van een nieuw verbond. Door Jezus hebben we toegang tot God in liefde en gemeenschap, niet in angst. Het nieuwe verbond is een uitnodiging tot genade.
De evangelielezing gaat ook over nederigheid en gastvrijheid: niet de beste plaatsen kiezen bij een feestmaal, armen, kreupelen, blinden uitnodigen — zij kunnen je niet terugbetalen. Wie zichzelf verhoogt, zal vernederd worden. Nederigheid en belangeloze liefde zijn de weg naar het Koninkrijk van God. De rode draad is nederigheid als toegangspoort tot genade en gemeenschap met God.
Hét probleem in onze tijd is dat al deze mooie verzen een leven na de dood impliceren: veel tijdgenoten willen hier en nu de “ereplaats” (Lc 14, 8). Zeker de jongere generaties zijn vooral bezig met het hiernumaals, en niet met het hiernamaals. Bij Jezus was het eigenlijk andersom: “geen schatten op aarde” verzamelen, maar “schatten in de hemel” nastreven, zegt Jezus in de Bergrede (Mt 6, 19-20). In die context zegt de schrijver van de Brief aan de Hebreeën: “wie Hem wil naderen moet immers geloven dat Hij bestaat en dat Hij beloont wie Hem zoeken” (Hebr. 11, 6). Vandaag zegt Jezus ons dat de finale beloning er zal komen “bij de opstanding van de rechtvaardigen” (Lc 14, 14). Dan moet er uiteraard een opstanding zijn, anders is ons geloof “zinloos”, schrijft Paulus in 1 Kor 15, 14.
(B.N.)